Hoe verhouden de individuele continuïteitsoordelen zich tot de recente doorrekening van het Regeerakkoord?
Continuïteitsoordeel
Het Centraal Fonds stelt ieder jaar een continuïteitsoordeel vast voor elke afzonderlijke corporatie. De beleidsregels vormen het raamwerk waarbinnen deze beoordeling plaatsvindt. Het belangrijkste doel van het continuïteitsoordeel is te bepalen of een individuele corporatie financieel gezien in staat is de voorgenomen activiteiten uit te voeren, zelfs in geval van 'slechtweer scenario’s' (risicogericht toezicht). Uitgangspunt zijn daarbij de investeringen, die de corporaties zich voor de komende 5 jaar hebben voorgenomen. Corporaties verstrekken deze informatie ieder jaar in het kader van het Bbsh. De betreffende informatie is onderdeel van de Prospectieve informatie (dPi).
Doorrekening van het Regeerakkoord
Het Centraal Fonds heeft op verzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een doorrekening gemaakt van de maatregelen uit het Regeerakkoord, voor zover deze betrekking hebben op de corporatiesector. De rapportage van deze doorrekening is op 26 april 2011 door het CFV aan de minister aangeboden, en op 23 mei 2011 door de minister van BZK aan de Tweede Kamer gestuurd. In methodologisch opzicht sluit deze meest recente doorrekening nauw aan bij de sectorale doorrekening die het Fonds doorgaans ieder jaar in het Sectorbeeld Voornemens publiceert.
Sectorale doorrekeningen hebben een ander doel dan het continuïteitsoordeel. Bij een sectorale doorrekening gaat het niet om de risico’s op het niveau van de individuele corporaties. Een doorrekening daarentegen moet zichtbaar maken of de sector (of een deel daarvan) financieel gezien in staat is om de komende tien jaar een op ervaringscijfers gebaseerd investeringsprogramma te realiseren. Het doet er dan niet toe welke individuele corporatie welk deel van dat investeringsprogramma voor haar rekening neemt. Ook de betekenis van de risicobenadering is anders in het geval van een doorrekening, omdat de resultaten bekeken worden op een hoger schaalniveau.
Geaggregeerde investeringen volgens de dPi
Voor sectorale doorrekeningen is de Prospectieve informatie niet goed bruikbaar. Dit komt omdat er doorgaans grote verschillen zijn tussen de voorgenomen en gerealiseerde investeringen van individuele corporaties. Bovendien blijven de realisaties van de sector als geheel sterk achter bij de voornemens. Figuur 1 laat dit zien voor de periode tussen 2009 en 2011:
Figuur 1. Nieuwbouw woongelegenheden voor eigen verhuur (inclusief aankoop van eigen verbindingen), 2009-2015
Bron: Sectorbeeld voornemens 2011
Investeringsramingen ten behoeve van sectorale doorrekeningen
In het geval van sectorale doorrekeningen raamt het Centraal Fonds de (des)investeringen op basis van empirische gegevens over de afgelopen periode. Bij de doorrekening van het Regeerakkoord is het Fonds ook op deze wijze te werk gegaan.
In figuur 2 is de nieuwbouw, zoals die verondersteld is ten behoeve van doorrekening van het Regeerakkoord, afgezet ten opzichte van de nieuwbouwverwachtingen, zoals die in 2011 in het kader van de Propectieve informatie zijn doorgegeven. Uit de figuur blijkt dat de doorrekening van het Regeerakkoord en de continuïteitsoordelen gebaseerd zijn op fors afwijkende veronderstellingen over de toekomstige investeringen. Omdat daarnaast ook het doel van sectorale doorrekeningen sterk afwijkt van het doel van de continuïteitsbeoordeling zijn de uitkomsten niet vergelijkbaar.
Figuur 2. Nieuwbouw woongelegenheden voor eigen verhuur (inclusief aankoop van eigen verbindingen), volgens dPi vs. zoals verondersteld in de doorrekening, 2011-2015

Bron: Sectorbeeld voornemens 2011 en doorrekening Regeerakkoord





Rapporten, onderzoeken en artikelen
Informatie per woningcorporatie
Wet- en regelgeving over de corporatiesector