Doel
In de bedrijfsvergelijking Corporatie in Perspectief (CiP) en andere publicaties maakt het CFV gebruik van referentiegroepen. Deze referentiegroepen maken een zinvolle vergelijking tussen de prestaties van corporaties mogelijk. De verschillende groepen zijn dusdanig samengesteld dat corporaties binnen één referentiegroep meer op elkaar lijken dan dat ze lijken op corporaties uit andere referentiegroepen. Een corporatie die de eigen prestaties vergelijkt met de prestaties van de referentiegroep waar zij bij is ingedeeld, vergelijkt zichzelf dus met redelijk overeenkomstige corporaties.
Jaarlijkse actualisatie
De indeling van corporaties in referentiegroepen wordt ieder jaar in september geactualiseerd. Bij deze actualisatie worden gegevens gebruikt die de corporaties aanleverden over het meest recente verslagjaar. Ook worden enkele kenmerken gebruikt over de omgeving waarin de corporatie opereert. Bij de indeling wordt geen rekening gehouden met de voornemens die de corporatie voor de toekomst heeft. Voor de kenmerken die benut worden is in het verleden vastgesteld dat ze samenhangen met prestaties van corporaties op het vlak van volkshuisvesting, financiën en bedrijfsvoering.
Het kan gebeuren dat een corporatie bij de actualisatie in een andere referentiegroep terechtkomt dan de referentiegroep waar zij een jaar eerder bij was ingedeeld. Zo’n verandering komt voort uit de gegevens op basis waarvan de referentiegroepenindeling wordt gemaakt. Mogelijke oorzaken voor een verandering van referentiegroep zijn wijzigingen in:
- het bezit aan woongelegenheden (aantal, type, bouwperioden, WWS-punten, WOZ-waarden, gemiddelde restant levensduur)
- de mutatiegraad van de woongelegenheden en de toewijzing van vrijgekomen woongelegenheden aan verschillende typen huishoudens
- het niveau van mutaties in het bezit (nieuwbouw, aankoop, verkoop, sloop)
- omgeving (marktrisico en herstructureringskans in wijken waar de corporatie haar bezit heeft)
Ook een fusie kan er toe leiden dat de nieuwe gefuseerde corporatie bij een andere referentiegroep wordt ingedeeld dan de groep(en) waar de gefuseerde partners voorafgaand aan de fusie toe behoorden. Dit komt door de invloed van de fusie op de corporatiekenmerken.
De methode
De methode waarmee de corporaties jaarlijks worden ingedeeld in referentiegroepen is ontwikkeld door RIGO Research en Advies bv, in samenspraak met het CFV. De indelingsmethode berust grotendeels op een zgn clusteranalyse. Hierbij wordt op grond van kenmerken van corporaties en hun omgeving gekeken welke corporaties statistisch gezien het meest op elkaar lijken. Corporaties die op elkaar lijken komen bij elkaar in een groep terecht en uiteindelijk resteert een aantal groepen. De corporaties binnen een groep lijken daarbij onderling meer op elkaar dan dat ze lijken op corporaties uit andere groepen. De referentiegroep ‘overige corporaties’ is gereserveerd voor atypische corporaties die niet goed zijn in te delen in een van de andere referentiegroepen.
De kenmerken die gebruikt worden als input voor de clusteranalyse hangen samen met de prestaties van corporaties op het volkshuisvestelijke vlak, de bedrijfsvoering en het financiële vlak. Dat is vastgesteld bij de ontwikkeling van de indelingsmethode. Doordat de kenmerken samenhangen met prestaties leiden ze tot referentiegroepen die een zinvolle vergelijking van prestaties van corporaties mogelijk maken.
Sinds de indeling over verslagjaar 2008 is de clusteranalyse de aangevuld met een tweede stap. Deze maakt de indeling meer stabiel en zorgt ervoor dat er bij de jaarlijkse actualisatie minder corporaties zijn die veranderen van referentiegroep. Deze tweede stap wordt toegepast op corporaties die op grond van de clusteranalyse in een andere groep terecht zouden komen. Op basis van de zogenoemde 'afstandenmatrix' uit de clusteranalyse, wordt bezien of het aanvaardbaar is als zij niet van groep veranderen. Deze afstandenmatrix geeft voor iedere corporatie en referentiegroep aan hoe groot de onderlinge afstand is. Bij de clusteranalyse wordt de corporatie toegedeeld aan de referentiegroep waar zij het dichtste bij staat (de kortste onderlinge afstand). Voor een corporatie die in een andere referentiegroep zou komen, wordt bezien hoe ver zij inmiddels af zit van de referentiegroep waar zij het voorgaande jaar nog bij was ingedeeld. Indien de afstand tot die referentiegroep van het voorgaande jaar, de op één‑na‑kortste afstand is in de afstandenmatrix, wordt de indeling van het voorgaande jaar gehandhaafd voor de corporatie. Zo niet, dan blijft de corporatie in de referentiegroep waar zij inmiddels het dichtst bij staat.





Rapporten, onderzoeken en artikelen
Informatie per woningcorporatie
Wet- en regelgeving over de corporatiesector